Algemeen


Algemeen
Inleiding, achtergrond en geschiedenis

Drie woningcorporaties kwamen in de periode tussen 2008 en 2012 zo vaak negatief in het nieuws dat de Tweede Kamer besloot tot het instellen van een parlementaire enquêtecommissie: de Amsterdamse corporatie Rochdale, de Haags-Rotterdamse corporatie Vestia en de Rotterdamse corporatie Woonbron. Al deze corporaties kenden grote problemen: de bestuursvoorzitter van Rochdale schafte als dienstauto een Maserati aan; Vestia kwam in zwaar weer terecht door de aankoop van derivaten en bij Woonbron werden de problemen veroorzaakt door de te duur uitgevallen renovatie van het stoomschip, het ss Rotterdam.

De casus Vestia is het onderwerp van dit hoofdstuk; Rochdale en Woonbron komen uitvoerig aan bod in hoofdstuk 6 en 7. Vestia, Woonbron en Rochdale zijn allemaal onderzocht door dezelfde commissie, de Parlementaire Enquêtecommissie Woningcorporaties, die in 2014 haar rapport uitbracht. Dit hoofdstuk gaat uitvoerig in op de mate van onafhankelijkheid, gehanteerde normatiek, werkwijze en onderbouwing van het oordeel door deze onderzoekscommissie.

Over de problemen bij Vestia is zeer veel geschreven. De kranten stonden er vol van, politiek en televisie besteedden er veel aandacht aan en er zijn maar liefst drie journalistieke boeken over de ‘vrije val van Vestia’ verschenen.[1] De problemen bij Vestia vormden de onmiddellijke aanleiding tot het instellen van een parlementaire enquêtecommissie. Voordat de Tweede Kamer hiertoe had besloten, had minister Spies al een commissie aangesteld om Vestia te onderzoeken, de commissie-Hoekstra.[2]
De casus Vestia spreekt dus zeer tot de verbeelding. Het voorwoord bij het hoofdrapport van de Parlementaire Enquêtecommissie Woningcorporaties (hierna: Hoofdrapport) zegt er het volgende over:

‘Begin 2012 komt het schandaal van Vestia naar buiten. De grootste corporatie van Nederland heeft behalve 90.000 sociale huurwoningen ook voor miljarden aan derivatencontracten met banken afgesloten. Contracten die – behalve voor de banken – voor niemand te begrijpen waren en renterisico’s zouden moeten afdekken tot sint-juttemis. Medio 2012 zijn deze contracten grotendeels afgekocht voor een slordige twee miljard euro. Ondanks het feit dat de totale schade nog hoger uitpakt, staat Vestia daarmee in één klap in de mondiale top van financiële schandalen met illustere namen als Enron, Parmalat, Société Générale en Barings Bank, die allemaal (bijna) omvielen door eigen schuld. Deze keer is het geen bedrijf, maar nota bene een semipublieke instelling, en moeten de Nederlandse sociale huurders opdraaien voor het miljardenverlies.’ (Hoofdrapport: 5).

De geschiedenis van Vestia besloeg, toen het schandaal naar buiten kwam, zo’n 20 jaar. De persoon Erik Staal speelde een belangrijke rol in deze geschiedenis. In 1989 werd hij algemeen directeur van het Gemeentelijk Woningbedrijf, een ambtelijke organisatie die onderdeel is van de gemeente Den Haag. In 1989 had het 23.000 ‘verhuureenheden’. In 1992 werd het Woningbedrijf verzelfstandigd en werd het een ‘toegelaten instelling’. Vanaf dat moment volgde een reeks fusies: met Vestia Delft/Zoetermeer in 1999 (vanaf dat moment wordt Vestia ook de naam van het geheel), met Estrade Wonen (2000), Woongoed Rotterdam (2000), SGBB (2010) en Stadswonen Rotterdam (2011). Ook nam Vestia een aantal kleinere corporaties over. In 2011 had het bedrijf een kleine 90.000 verhuurbare eenheden. Erik Staal was al die jaren de enige bestuurder, met uitzondering van een periode in 1999, toen de heer Jochems korte tijd medebestuurder was.

Vestia had een uitstekende reputatie. Datzelfde gold voor bestuurder Staal: ‘Vestia: een gerenommeerd volkshuisvester, een voorbeeld in de sector, een rolmodel voor corporaties die actief zijn in de stedelijke herstructurering, toeverlaat van wethouders van diverse grote gemeenten zoals Rotterdam en Den Haag, corporatiedokter voor zieltogende corporaties. In negatieve zin was Vestia alleen bekend vanwege het salaris van Erik Staal.’ (Verbraken 2014: 8)

In september 2011 bleek dat Vestia kampte met grote liquiditeitsproblemen. Deze problemen kwamen aan het licht toen het WSW[3] aan Vestia een faciliteit tot een bedrag van maximaal 1,05 miljard euro ter beschikking stelde in het kader van het borgen van tijdelijke liquiditeitstekorten veroorzaakt door zogenaamde ‘margin calls’. Zonder die voorziening zou Vestia in surseance van betaling zijn geraakt (Rapport commissie-Hoekstra: 27).

De omvang en samenstelling van de derivatenportefeuille was, gelet op doelstelling van de corporatie en de regelgeving, niet passend, volgens het Centraal Fonds Volkshuisvesting (CFV).[4] Vestia had onvoldoende buffers om liquiditeitsrisico’s op te vangen. Ook bevatten verschillende contracten die Vestia had afgesloten clausules die de inzet van het toezichtsinstrumentarium belemmerden omdat toezichtsmaatregelen zouden leiden tot onmiddellijke opeisbaarheid. De minister van BZK stelde vast dat deze clausules in strijd waren met artikel 70d Woningwet. Hierdoor moest de minister afzien van het geëigende instrumentarium, zoals het geven van een aanwijzing en het aanstellen van een toezichthouder. Wel werden op verzoek van de minister nieuwe bestuursleden en nieuwe leden van de RvT benoemd bij Vestia (Rapport commissie-Hoekstra: 27).

De ‘systeemcrisis’ rond Vestia kwam pas naar buiten op maandagochtend 30 januari 2012, via het Financieele Dagblad (Verbraeken 2014: 7). Dit markeerde het begin van een zeer chaotische periode in de geschiedenis van het Nederlandse corporatiestelsel. Vanaf de jaren 1990 is er veel veranderd in de corporatiewereld[5]: er kwam meer ruimte voor eigen ondernemerschap, schaalvergroting en er waren veranderingen in het toezicht. Dit ging gepaard met de oproep om te werken aan ondernemerschap, de bouwproductie te verhogen en te investeren in leefbaarheid. De Vestia-affaire zorgde voor een radicale verandering. In de woorden van Verbraeken:
‘De Vestia-affaire heeft een aardverschuiving teweeggebracht in de corporatiesector. Het imago van die sector, en zelfs van de hele semipublieke sector, is erdoor geraakt. De grootste corporatie van Nederland, met bijna 90.000 woningen, stond op omvallen. Vestia: een gerenommeerde volkshuisvester, en voorbeeld in de sector, een rolmodel voor corporaties die actief zijn in de stedelijke herstructurering, toeverlaat van wethouders van diverse grote gemeenten zoals Rotterdam en Den Haag, corporatiedokter voor zieltogende corporaties. (…) Maar wat met Vestia gebeurde was een drama van de buitencategorie. Dat zette iedereen op scherp. Een brede meerderheid in de Tweede Kamer stemde dan ook voor een parlementaire enquête naar de misstanden in de sector.’ (Verbraeken 2014: 8)

In juni 2012 sloot Vestia een deal met de banken. Dit gebeurde onder regie van het Rijk, onder leiding van minister Spies. Deze deal kostte Vestia en de gehele sector bijna 3 miljard euro.

Het besluit om een Parlementaire Enquête Woningcorporaties in te stellen werd genomen op 20 maart 2012, toen de Tweede Kamer unaniem de motie-Bochove aannam. Die maand overlegde de Kamer voor het eerst in het openbaar met de minister over de Vestia-casus. Op dat moment zijn er nog vele onbeantwoorde vragen. De motie-Bochove benoemde de problematiek bij Vestia en gaf aan dat er sprake is van meerdere incidenten bij corporaties, waarbij sprake was van laakbaar gedrag, dat onvoldoende en te laat was onderkend door interne en externe toezichthouders (Hoofdrapport: 40). De onderzoekscommissie wilde dus onderzoek doen naar alle casussen waarin er sprake was van ‘laakbaar gedrag’ en niet alleen naar Vestia. De commissie gaf in haar hoofdrapport aan breder te hebben gekeken dan alleen naar de incidenten. Ze had de ambitie om ook onderzoek te doen naar het ‘functioneren van het systeem van woningcorporaties’ (Hoofdrapport: 40).

De Tweede Kamer stelde op 5 december 2012 de Tijdelijke Commissie Woningcorporaties (TCW) in. Deze presenteerde op 11 april 2013 haar plan van aanpak. Op 16 april 2013 besloot de Tweede Kamer tot het instellen van een Parlementaire Enquêtecommissie Woningcorporaties.

‘De kern van het onderzoek bestaat uit de drie deelonderzoeken die de commissie zelf heeft uitgevoerd naar respectievelijk politieke besluitvorming, casussen en Vestia. Deze onderzoeken vormen zowel de basis voor het houden van besloten voorgesprekken en openbare verhoren, als de weerslag daarvan. Inzichten uit de openbare verhoren zijn in deze drie deelonderzoeken meegenomen.’ (Hoofdrapport: 42).

Het onderzoeksrapport werd gepresenteerd op 30 oktober 2014; vanaf dat moment was het openbaar.

[1] Hans Verbraeken, De vrije val van Vestia, Miljardendrama door hoogmoed en wanbeleid, 2014; Jan Smit, Het derivatendrama, 2014; Tjerk Gualtherie van Weezel, De bekentenis, hoe de handel in derivaten Vestia aan de afgrond bracht, 2015.
[2] Commissie Kaderstelling en Toezicht Woningcorporaties, onder voorzitterschap van mr. R.J. Hoekstra. De opdracht aan de commissie betrof het uitbrengen van advies aan de minister van BZK over het ‘beheersbaar maken van de risico’s van het maatschappelijk ondernemerschap van woningcorporaties; hierbij in te gaan op prikkels die in het woningbouwcorporatiestelsel aanwezig zijn die leiden tot ongewenste financiële risico’s en de Vestia Casus te bezien in vergelijking met andere casus waar het in de afgelopen jaren misging en daar leerpunten uit te trekken’ (Rapport commissie-Hoekstra: 3). Het rapport is uitgebracht op 17 december 2012.
[3] WSW is de onderlinge waarborgmaatschappij voor de woningcorporaties, met een gedegen borgstelsel. WSW verstrekt borging op leningen aan corporaties. Dat betekent dat WSW de betalingsverplichtingen (rente en aflossing) van de lening overneemt, mocht de corporatie daar zelf niet meer aan kunnen voldoen. Door borg te staan voor leningen kunnen woningcorporaties goedkoper leningen aantrekken. Om te voorkomen dat WSW een aanspraak krijgt op zijn borgstelling, kent het stelsel verschillende buffers en vangnetten. (website:
https://www.wsw.nl/over-wsw/borger-van-leningen/over-het-borgstelsel/ ; geraadpleegd 25-11-2019).
[4] Overheidsinstantie die namens het ministerie van VROM toezicht houdt op de woningcorporaties en de verbindingen die zij zijn aangegaan om te zien of zij over voldoende eigen vermogen beschikken (website https://www.encyclo.nl/begrip/CFV_Centraal_Fonds_Volkshuisvesting ).
[5] Te noemen veranderingen zijn: meer autonomie voor corporaties, meer toezicht op corporaties, introductie marktwerking waardoor woningcorporaties ‘hybride organisaties’ werden, schaalvergroting, overgang van vrijwilligersorganisaties naar professionele organisaties, overgang van vereniging met een bestuur naar stichting met een Raad van Bestuur en een Raad van Commissarissen en veranderingen in de beleidsfocus, met een grotere aandacht voor leefbaarheid van wijken. Zie Literatuurstudie Parlementaire Enquêtecommissie, Beekers 2012, Koolma 2009.

Zie het tabblad 'bestanden voor de link naar het hoofdrapport Parlementaire enquête Woningcorporaties.