Algemeen proefschrift


NB: Dit is een conceptversie van de website.

Onderzoeksvraag

Het onderzoek naar de bonnetjes van oud-burgemeester Bram Peper van Rotterdam, dat zijn aftreden als minister noodzakelijk maakte, bleek achteraf niet geloofwaardig te zijn geweest. In de periode dat dat speelde (1999) maakte ik deel uit van de gemeenteraad van Rotterdam die opdrachtgever was voor het onderzoek naar de bonnetjes. In die periode is mijn nieuwsgierigheid ontstaan over de vraag of het vaker aan de orde zou kunnen zijn dat onderzoekscommissies rapporten maken waarvan achteraf kan worden vastgesteld dat ze onvoldoende geloofwaardig waren.

De vraag die in dit proefschrift wordt beantwoord luidt als volgt:

“Is het oordeel van onderzoekscommissies die onderzoek hebben gedaan naar problemen bij maatschappelijke organisaties en die daarover een onderzoeksrapport hebben uitgebracht geloofwaardig, gelet op de positionering en werkwijze van de onderzoekscommissie, de door de commissie gehanteerde normen en de onderbouwing van het oordeel door de onderzoekscommissie?” 

In mijn proefschrift beoordeel ik onderzoeksrapporten van 9 verschillende maatschappelijke organisaties die in de periode tussen 2005 en 2015 in de problemen zijn geraakt en waar veel maatschappelijke en politieke ophef over is ontstaan. Het betreft de volgende 9 maatschappelijke organisaties: de woningcorporaties Vestia, Woonbron en Rochdale. De schoolbesturen InHolland, Amarantis en ROC Leiden en de zorgorganisaties Philadelphia, Meavita en het Ruwaard van Putten Ziekenhuis.


Wanneer is een onderzoeksrapport geloofwaardig?

Ik beoordeel de rapporten van de onderzoekscommissies aan de hand van vier criteria. Deze vier criteria worden hieronder toegelicht:

 

Criterium

Het onafhankelijkheidscriterium 

Beoordeelt de positionering van de onderzoekscommissie. De onderzoekscommissie is qua positionering geloofwaardig als er sprake is van een onafhankelijke onderzoeksommissie. Er is dan geen sprake van een gezagsrelatie tussen opdrachtgever en de onderzoekscommissie, de commissie bestaat uit deskundige en onafhankelijke leden, de onderzoekscommissie heeft toegang tot alle relevante informatie, past hoor en wederhoor toe en maakt het onderzoeksrapport openbaar.

Het contextueel-vergelijkende criterium 

Beoordeelt de werkwijze van de onderzoekscommissie. De werkwijze van de onderzoekscommissie geldt als geloofwaardig als sprake is van een contextueel-vergelijkende werkwijze. Kenmerk van deze werkwijze is het verplaatsen in de situatie van de organisatie voordat de problematiek zich voordeed, waarbij de relevante context wordt meegewogen op basis van de kennis van toen, in het licht van de praktijk bij vergelijkbare organisaties op dat moment.

Het normatieve criterium

Beoordeelt het handelen van de betrokken actoren in en buiten de maatschappelijke organisatie po basis van de norm van de ‘redelijk handelend beroepsbeoefenaar’. Een onderzoekscommissie geldt qua gehanteerde normering als geloofwaardig als het doen en nalaten van de betrokken actor wordt beoordeeld op basis van de norm van datgene dat redelijkerwijze van een redelijk handelende en bekwame professional verwacht zou mogen worden.

Het onderbouwingscriterium

Beoordeelt de mate van onderbouwing van de problematiek van de maatschappelijke organisatie. De onderbouwing van het oordeel van een onderzoekscommissie geldt als geloofwaardig als wordt beoordeeld of de ontstane problemen al dan niet voorzienbaar en al dan niet beheersbaar zouden zijn geweest.


Een onderzoekscommissie kan als ‘geloofwaardig’ worden bestempeld als aan deze vier criteria is voldaan: de onderzoekscommissie is onafhankelijk, hanteert de contextueel-vergelijkende werkwijze, hanteert een kader met duidelijke en logische normen gebaseerd op de ‘redelijk handelende professional’ die vooraf en onderbouwt het oordeel goed op basis van de vraag of problemen al dan niet te voorzien en te beheersen waren.


Doel en opbouw website

Het doel van deze website is o.a. om per onderzochte casus aan te geven uit welke passages van de onderzoeksrapporten ik mijn conclusies heb getrokken. Dat heb ik gepoogd te doen door middel van arceringen.

Iedere casus heeft een eigen tabblad. Dat tabblad is op zijn beurt onderverdeeld in 5 delen: 

1. Algemeen deel. Hier wordt de inleiding, achtergrond en geschiedenis gegeven van de betreffende casus. 

2 t/m 5: criteria toegepast.


Link volledig proefschrift

Onder het tabblad 'Bestanden' vindt u de link naar het PDF-document van het volledige proefschrift 'Geloofwaardige commissies,  houdbare oordelen?'